De onderzoeksinstelling volgt een aantal wilde populaties van holenbroedende zangvogels al sinds 1955. Het gaat om koolmezen, pimpelmezen, zwarte mezen, bonte vliegenvangers en boomklevers. Onderzoekers verzamelen van individuele dieren gegevens, zoals legselgrootte, aantal jongen en morfologische gegevens. Dat maakt het mogelijk om voor individuele vogels processen als reproductie en sterfte te verbinden met de consequenties op populatieniveau. Dit populatieonderzoek heeft
een schat aan fundamentele en toepassingsgerichte inzichten opgeleverd, beschreven in honderden publicaties. In de laatste jaren zijn vragen over de grenzen aan het aanpassingsvermogen van vogels aan snel veranderende omstandigheden (bijvoorbeeld klimaatverandering) in de belangstelling gekomen. Deze vragen hadden niet beantwoord kunnen worden zonder dit langetermijnonderzoek. Meer toepassingsgerichte vragen gaan over de rol van koolmezen bij het bestrijden van plagen in boomgaarden en over het effect van nachtelijke verlichting op het broedsucces. In de afgelopen jaren is het onderzoek uitgebreid met genoomanalyses van wilde populaties vogels. Daarvoor wordt DNA gebruikt van een groot aantal dieren.
De hoofddoelstelling van het project is het verzamelen van data van vogels die broeden in nestkasten in de studiegebieden van de onderzoeksinstelling. Deze data worden in een zeer groot aantal studies gebruikt. Die studies zijn in te delen in vijf clusters:
(1) plasticiteit van eigenschappen – de eigenschappen van een dier worden niet alleen bepaald door zijn genen maar ook door de omgeving. Dezelfde koolmeesvrouw zal in een warm voorjaar eerder eieren leggen dan in een koud voorjaar.
(2) fitheidseffecten van eigenschappen – de eigenschappen van een dier verschillen per individu, wat consequenties kan hebben voor hun biologische fitheid: de kans op overleven en het voortplantingssucces. Vogels die meer eieren leggen krijgen meer jongen, maar die verkeren dan in een relatief slechte conditie. De omstandigheden bepalen welke legselgrootte uiteindelijk de meeste nakomelingen oplevert.
(3) erfelijkheid van eigenschappen – door de eigenschappen van ouders én die van hun nakomelingen te meten kunnen we berekenen welke eigenschappen overerven. Alleen erfelijke eigenschappen kunnen veranderen door natuurlijke selectie. Die kennis is van belang voor het bepalen van de effecten van klimaatverandering.
(4) identificeren van genen die eigenschappen bepalen – we weten dat veel van de eigenschappen van dieren erfelijk zijn en dus vastliggen in het DNA. We onderzoeken welke genen welke eigenschappen bepalen en welke rol de natuurlijke omgeving hierbij speelt.
(5) populatiedynamica – we onderzoeken hoe de omvang en de samenstelling van de populatie veranderen door factoren als voedselbeschikbaarheid, het weer en natuurlijke selectie.
Deze vragen worden bestudeerd om fundamentele inzichten te vergaren, maar ook vanuit een zeer praktische invalshoek: welke invloed hebben processen als klimaatverandering of verstedelijking?
In dit onderzoek wordt gewerkt met Koolmees, Pimpelmees, Bonte vliegenvanger, Boomklever en Zwarte mees.