De hartspier wordt van zuurstof voorzien via twee kransslagaders. Bij een hartinfarct is een tak van de kransslagader afgesloten. Daardoor krijgt het deel van de hartspier achter de afsluiting geen zuurstof meer en sterft af. Op die plaats ontstaat een litteken, waardoor een deel van de pompfunctie van
het hart verloren gaat. Op den duur kan dit leiden tot ernstig, invaliderend, hartfalen (HF). De huidige behandeling van HF patiënten is vooral gericht op symptoombestrijding en ondersteuning van de hartactiviteit met medicatie. Deze medicijnen hebben soms bijwerkingen en leveren geen herstel op van
de hartspier. Meer dan de helft van alle patiënten met chronisch hartfalen overlijdt binnen 5 jaar.
Op dit moment is gentherapie voor behandeling van hartfalen in ontwikkeling. Deze therapie is gebaseerd op . Ze hebben een AAV, dat de genetische code voor het S100A1 eiwit bij zich draagt. Het is bekend dat functieverlies van het hart gepaard gaat met een lage S100A1 waarde, terwijl dit eiwit een belangrijke rol speelt bij de activiteit van de hartspier. Het adeno-associated virus (AAV) wordt tegenwoordig beschouwd als het meest geschikte vector-systeem. AAVs komen overal en in meerdere
varianten in de natuur voor. Er bestaan 11 serotypes. Veel mensen raken wel een keer in hun leven besmet, maar ze worden niet ziek. In de afgelopen jaren hebben de onderzoekers een AAV, dat de genetische code voor het S100A1 eiwit bij zich draagt. Het is bekend dat functieverlies van het hart gepaard gaat met een lage S100A1 waarde, terwijl dit eiwit een belangrijke rol speelt bij de activiteit van de hartspier. Voor alle veiligheid is het virus kreupel gemaakt: het kan wel de cel binnendringen, maar zich daar niet vermenigvuldigen. Door zo’n vector in het hart van patiënten te brengen gaan de spiercellen S100A1 eiwit produceren, waardoor het tekort wordt aangevuld en de hartfunctie kan verbeteren. Voordat kan worden besloten om een nieuwe therapie in patiënten te testen, moeten veiligheid en werkzaamheid afdoende zijn aangetoond in diermodellen (preklinische onderzoeksfase). Als onderdeel van het preklinisch onderzoeksprogramma van S100A1 gentherapie worden in dit project de eigenschappen van verschillende vectorkandidaten nader onderzocht.

Hieruit zal blijken welk type vector bij de gebruikte dosis het meest efficiënt de hartspier binnendringt en hoeveel van het werkzame eiwit daar dan wordt aangemaakt. Het onderzoek moet bijdragen aan de ontwikkeling van een nieuwe behandeling voor patiënten met chronisch hartfalen.

In dit onderzoek wordt gewerkt met varkens.