Pootproblemen vormen één van de belangrijkste welzijnsproblemen bij vleeskuikens. Daarnaast signaleren pluimveeslachterijen aan de slachtlijn een relatief hoog percentage van met vleugelbreuken en vleugels die uit de kom zijn. Deze ontstaan tijdens het vangen van de kuikens of tijdens het
slachtproces. Dergelijk letsel leidt bij de levende kuikens tot verminderd dierwelzijn, terwijl vleugelbreuken en vleugels die uit de kom zijn voor de slachterijen ook een forse financiële schadepost vormen. In deze aanvraag zal nagegaan worden in welke mate de ontwikkeling van de kwaliteit in poten
en vleugels positief beïnvloed wordt via i) de voeding van moederdieren, ii) de voeding van jonge vleeskuikens, en iii) in welke mate het incubatiemanagement de botkwaliteit kunnen beïnvloeden. Verwacht wordt dat de juiste temperatuur- en lichtschema’s tijdens incubatie, in combinatie
met een betere nutriëntenvoorziening van ouderdieren en (jonge) vleeskuikens, kunnen leiden tot een forse vermindering van pootproblemen tijdens het leven van het kuiken, en van bot- en vleugelbreuken aan het einde van het leven tijdens het vangen en slachten. Dit onderzoek draagt daarmee bij aan een verbetering van het dierenwelzijn en de diergezondheid, een verdere vermindering van de uitval en een verhoging van de winst van de vleeskuikenhouderij door een verbetering van de kwaliteit van het
eindproduct en vermindering van afkeur van delen van het karkas.

Deze aanvraag draagt bij aan een verduurzaming van de vleeskuikenketen door vermindering van welzijns- en gezondheidsproblemen, samenhangend met botsterkte, en door een verbeterde winst door minder uitval van kuikens en een betere slachtkwaliteit. Dit alles bevordert de maatschappelijke
acceptatie van de vleeskuikenhouderij. De economische meerwaarde zit in een hogere winst, doordat minder kuikens afgekeurd worden bij het slachten. Het wetenschappelijke belang is te vinden in het verkrijgen van inzicht in hoe voeding in verschillende schakels van de keten en broedomstandigheden
invloed hebben op de botontwikkeling.

In dit onderzoek wordt gewerkt met 960 vleeskuikenouderdieren en 128 hanen.