De kwaliteit van een kuiken bij geboorte (uitkomst) is van groot belang voor de verdere ontwikkeling van het dier. Deze kuikenkwaliteit wordt vooral bepaald bij de broedomstandigheden. Bij vleeskuikens is al veel onderzoek gedaan naar verschillende broedomstandigheden, maar bij andere vogelsoorten, zoals leghennen, kalkoenen en parelhoenders is dit veel minder, dan wel nauwelijks gedaan. Daarom willen we in dit project onderzoeken hoe verschillende broedfactoren van invloed zijn op de kuikenkwaliteit van deze pluimveesoorten bij uitkomst. De wetenschappelijke vraagstelling richt zich daarom op het begrijpen hoe verschillende broedfactoren de kuikenkwaliteit beïnvloeden en wat de gevolgen zijn voor
het latere leven. Omdat kuikens die geen goede kwaliteit hebben bij uitkomst niet gebruikt kunnen worden en daarom gedood worden, is hetmaatschappelijke belang gericht op het verbeteren van de kuikenkwaliteit waardoor minder kuikens direct na uitkomst gedood worden en in het latere leven de gezondheid beter is. Ook al zijn de kuikens bij uitkomst van goede kwaliteit aan de buitenkant gezien, kunnen er in het latere leven toch verschillen in ontwikkeling optreden die te verklaren zijn door de broedomstandigheden. Daarom willen we ook in een aantal experimenten de kuikens volgen in het latere leven.
Met de resultaten van dit onderzoek hopen we meer kennis te krijgen hoe temperatuur, zuurstof, koolstofdioxide, licht en het voeden van embryo’s in het ei van belang zijn voor de kwaliteit van het leghenkuiken, kalkoenkuiken
of parelhoenderkuiken bij uitkomst. Als we dit weten kunnen er adviezen gegeven worden aan de broederijen, waar de kuikens uitgebroed worden, zodat zij de broedomstandigheden kunnen aanpassen, waardoor er betere kwaliteit kuikens geboren worden. De verwachting is dat deze kuikens in het latere leven gezonder zijn en een beter welzijn hebben.
In dit onderzoek wordt gewerkt met leghenkuikens, kalkoenen en parelhoenders.