Vogelgriepvirus (aviaire influenza virus; AIV) komt in de natuur voornamelijk voor bij wilde (water)vogels waar het nauwelijks of géén ziekte veroorzaakt. Echter, na infectie van pluimvee kunnen deze virussen aanleiding geven tot een zeer ernstige ziekte en uiteindelijk sterfte. Vogelgriep levert zodoende wereldwijd een direct gevaar op voor het dierenwelzijn en heeft grote financiële gevolgen voor de pluimveehouderij. Bepaalde vogelgriepvirus varianten vormen tevens een potentiële bedreiging voor de mens. Infecties van mensen zijn vrijwel altijd het gevolg van direct contact met geïnfecteerd pluimvee. Voorbeelden hiervan zijn humane infecties door H7N9 en H5N1 die in 40-60% van de gevallen fataal zijn.

De introductie van vogelgriepvirus in pluimvee vindt meestal plaats door wilde vogels. Vervolgens kan het virus zich in de pluimvee populatie verspreiden, waarbij sommige virussen zich sneller kunnen verspreiden dan anderen. Tevens kunnen virussen zich aanpassen aan de nieuwe gastheer waardoor de verspreiding steeds efficiënter wordt. Er zijn aanwijzingen dat dergelijke aanpassingen ook kunnen zorgen voor overdracht naar de mens. Voor een effectieve bestrijding van vogelgriepvirus is het belangrijk om na te gaan wat het verspreidingsvermogen is van een uitbraakstam in pluimvee en welke genetische kenmerken de effectiviteit van virus overdracht van dier naar dier (transmissie) bepalen.

Om het verspreidingsvermogen van vogelgriepvirus te onderzoeken worden studies naar de overdracht van het virus uitgevoerd in groepen van al dan niet gevaccineerd pluimvee. Door vergelijking van het verspreidingsvermogen van verschillende virussen wordt informatie verkregen over het belang van bepaalde eigenschappen van het virus. Om specifieke aanpassingen aan het licht te brengen wordt overdracht van virus vervolgd in één-op-één studies (één geïnfecteerd dier plus één on-geïnfecteerd dier). Door na te gaan of er een relatie is tussen de efficiëntie van overdracht en de aanwezigheid - of het ontstaan - van bepaalde genetische veranderingen, kan worden nagegaan welke veranderingen belangrijk zijn voor virus verspreiding en daarmee een verhoogd risico opleveren voor mens en dier.

Om het verspreidingsvermogen van vogelgriepvirus te onderzoeken worden studies naar de overdracht van het virus uitgevoerd in groepen van al dan niet gevaccineerd pluimvee. Door vergelijking van het verspreidingsvermogen van verschillende virussen wordt informatie verkregen over het belang van bepaalde eigenschappen van het virus. Om specifieke aanpassingen aan het licht te brengen wordt overdracht van virus vervolgd in één-op-één studies (één geïnfecteerd dier plus één on-geïnfecteerd dier). Door na te gaan of er een relatie is tussen de efficiëntie van overdracht en de aanwezigheid - of het ontstaan - van bepaalde genetische veranderingen, kan worden nagegaan welke veranderingen belangrijk zijn voor virus verspreiding en daarmee een verhoogd risico opleveren voor mens en dier.

In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van kippem.