Tijdens de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen worden dierstudies gebruikt waarin bepaald wordt of de nieuwe medicatie werkzaam (effectief) en veilig (niet-toxisch) is. Deze zogenaamde preklinische studies in dieren zijn essentieel om de juiste nieuwe geneesmiddelen te selecteren, die vervolgens getest worden in klinische studies met gezonde mensen en patiënten. In de wetenschap streeft men naar reproduceerbare resultaten. Dat wil zeggen dat een experiment bij herhaling onder gelijke omstandigheden dezelfde uitkomst moet opleveren. In de praktijk wordt dit niet altijd gehaald. Om de reproduceerbaarheid van dierstudies te verhogen is het nodig dat we beter begrijpen welke factoren in de opzet en uitvoering van dierstudies verbeterd kunnen worden. Het huidige project maakt deel uit van een internationale samenwerking waarbij meerdere academische en industriële laboratoria dezelfde dierproeven gaan uitvoeren. Samen onderzoeken ze welke factoren in de opzet en uitvoering van de dierproeven kunnen leiden tot verschillen in de metingen tussen de laboratoria.

Aan de hand van dit onderzoek zullen nieuwe richtlijnen opgesteld worden die gebruikt kunnen worden om de reproduceerbaarheid van toekomstig preklinische studies te verhogen. Deze richtlijnen zullen verschillende manieren gepromoot worden, bijvoorbeeld door ze onder de aandacht te brengen bij regulerende instanties, maar ook door educatief materiaal aan te bieden aan onderzoekers die preklinische studies uitvoeren. Op de lange termijn verwachten we met dit project bij te dragen aan een betere en snellere ontwikkeling van nieuwe medicatie.

In dit onderzoek wordt gewerkt met muizen.