Het aantal patiënten met een verstoorde werking van het metabolisme neemt toe. Dit kan veroorzaak worden door bijvoorbeeld overgewicht, maar ook door hoge bloeddruk of diabetes. Dit zorgt voor een verstoring van heel veel processen in lichaam en wordt samengevat onder de term metabole complicaties. Patiënten met metabole complicaties leiden vaak aan een verstoorde werking van de darm, de nier en de lever. Darm, nier en lever spelen een hele belangrijke rol bij zowel de opname van stoffen (met name het maag-darm kanaal), als bij het omzetten van deze stoffen (lever en darm)
en het uitscheiden van stoffen (nier, lever). Begrip van deze processen (kinetiek genoemd) en interactie van stoffen in een minder functioneel orgaan kan gebruikt worden om dosering aan te passen voor deze patiënten. Daarnaast kunnen bijwerkingen voorkomen of beter voorspeld worden. Om dit te kunnen bepalen is het nodig om gebruik te maken van goede voorspelbare methode. Wij willen ex vivo (buiten het lichaam) de functie en kinetiek van stoffen bestuderen in darm, lever en nier. Deze ex
vivo modellen kunnen dan gebruikt worden om kinetiek van medicijnen en voedingsstoffen in ziekte en gezondheid te bestuderen. Het doel is om deze methode op te zetten in dierlijk materiaal maar om uiteindelijk over te gaan op menselijk materiaal (zoals afgekeurde donor organen of materiaal dat beschikbaar komt na operatie). We verwachten dat door gebruik te maken van modellen die op de mens lijken, en uiteindelijk ook humaan materiaal, de ontwikkeling van nieuwe medicijnen en
therapeutica sneller kan plaatsvinden en dat deze sneller op de markt zullen komen. Afhankelijk van de vraagstelling kan gebruikt gemaakt worden van slachthuisafval of van organen van dieren die voor een ander doeleinde zijn gedood. Het is echter in sommige gevallen (bijvoorbeeld wanneer intacte darmslijmlaag nodig is, die heel snel bederft zodra deze buiten het lichaam komt) wenselijk om vers materiaal te gebruiken.

1). Een model om ex vivo darm, lever en nierfunctie te kunnen bestuderen
2). Kennis over hoe bovenstaande organen omgaan met invloeden van
     buitenaf, zoals voedingsstoffen, medicijnen of ziekteverwekkers.
3). Kennis over de functie van bovenstaande organen en mogelijk nieuwe
    manieren om functie van deze organen te kunnen ex vivo te kunnen meten.

In dit onderzoek wordt gewerkt met varkens.