In ecosystemen variëren de omstandigheden sterk door het wisselen van de seizoenen. Organismen moeten hun groei en voortplanting precies afstemmen op de periode waarin de omstandigheden het gunstigst zijn (seizoenstiming). Voortplanting buiten die periode heeft grote negatieve effecten voor het voortbestaan van de soort en er is een sterke natuurlijke selectie op seizoenstiming. Dit project onderzoekt hoe seizoenstiming van de voortplanting bij koolmezen tot stand komt. In een eerder project zijn er selectielijnen gemaakt van vroeg- en laat-leggende vogels. In dit project worden deze selectielijnen gebruikt om de genetische en fysiologische verschillen tussen de lijnen te bepalen en om de mate van aanpassing en overlevingskans van vroeg en laat leggen in het wild te bepalen. Op deze manier kunnen we bepalen hoe snel soorten zich kunnen aanpassen aan klimaatsverandering.
Door de klimaatsverandering wordt het langzaam warmer en dit resulteert in grote verschuivingen in seizoenstiming van veel soorten. Die verschuivingen in timing zijn echter niet voor alle soorten gelijk en de aanpassing kan zelfs leiden tot een foute afstemming: bijvoorbeeld wanneer de benodigde prooi voor opgroeiende jongen niet aanwezig is. Dit leidt tot natuurlijke selectie op de seizoenstiming van soorten en de snelheid van de aanpassing van seizoenstiming is uiterst belangrijk voor het voortbestaan van een soort in reactie op klimaatveranderingen. Om die reden is het belangrijk de onderliggende mechanismes en de selectie op seizoenstiming beter te begrijpen en dit project draagt daaraan bij door een vogelsoort te bestuderen die model staat voor zangvogelsoorten in het wild.
In dit onderzoek wordt gewerkt met koolmezen.