Sommige ziekmakende bacteriën kunnen we niet meer goed bestrijden, omdat ze ongevoelig zijn geworden voor de antibiotica waarmee patiënten of zieke dieren behandeld worden. Deze bacteriën maken stoffen (bijvoorbeeld ESBLs) die ervoor zorgen dat bepaalde antibiotica niet meer goed werken. De bacteriën die ESBLs maken vinden we vaak bij vleeskuikens. Mensen kunnen met deze bacteriën besmet raken doordat ze besmet vlees eten of door direct contact met besmette dieren. Als mensen besmet zijn geraakt met bacteriën die ESBLs maken kunnen antibiotica minder effectief zijn.
In dit project gaan we onderzoeken hoe de besmetting van kippen en de verspreiding van ESBLs tussen kippen kan worden verminderd en welke maatregelen hiervoor nodig zijn. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld worden toegepast bij de ouderdieren van de vleeskuikens, in de broedmachines of op het vleeskuikenbedrijf.
Eerst onderzoeken we de routes van besmetting en verspreiding van de ESBLs tussen bedrijven en tussen dieren. Als deze routes duidelijk zijn, gaan we onderzoeken welke maatregelen besmetting en verspreiding tegen kunnen gaan. Om dit goed te kunnen doen moeten we eerst manieren ontwikkelen om het effect van de maatregelen te testen. Hiervoor zijn metingen bij pluimveebedrijven en dierexperimenten nodig. Vervolgens maken we wiskundige modellen die deze effecten kunnen voorspellen zonder dat er dierproeven nodig zijn. Aan de hand van de uitkomsten adviseren we welke maatregelen het meest effectief zijn. Deze maatregelen zorgen ervoor dat het percentage besmet kippenvlees zal afnemen. Hierdoor wordt het risico dat mensen besmet raken met ESBLs verminderd. Daarnaast kunnen de modellen worden ingezet bij vergelijkbaar onderzoek naar verspreiding van antibiotica-ongevoeligheid in mens en dier.
In dit project wordt gebruik gemaakt van vleeskuikens.