Ton Rijnders trots op bereikte organisatiekracht Centrale Commissie Dierproeven

Zijn drukke baan als directeur van het Oncode-institute deed hem besluiten niet verder te gaan als lid van de Centrale Commissie Dierproeven, de CCD. Ton: ”Aanvragen moet je zorgvuldig beoordelen. Daarvoor moet je de tijd nemen en die tijd had ik steeds minder. Jammer, de dynamiek van het analyseren en redeneren om tot zorgvuldige besluitvorming te komen sprak me enorm aan.”

Enorm veel reflectie
“Vier jaar geleden is hij na herziening van de Wet op de dierproeven (Wod) gestart met het werk voor de CCD. Een nieuw bestuursorgaan moest op poten worden gezet. Daarvoor hebben Ludo Hellebrekers, de voorzitter en Ger de Peuter de algemeen secretaris destijds, een mooi en divers bestuur bij elkaar gebracht. Divers qua achtergrond en expertise. De wijze waarop mensen optreden in zo’n bestuur, heb ik leuk gevonden.”
“Er is een goed functionerend bestuur ontstaan met enorm veel reflectie rond moeilijke voorstellen waar besluiten over genomen moeten worden. Dan ervaar je dat er echt vanuit verschillende invalshoeken naar gekeken wordt. Dat heb ik enorm gewaardeerd en maakt het ook leuk om te doen. De vergaderingen van deze club ga ik daarom missen.”

Tegenspraak, graag!
“In het begin was het voor iedereen wennen. Ook voor de medewerkers van het ondersteunend bureau, en dan met name voor de beoordelaars. In hoeverre mogen zij aanbevelingen doen en wat als zij het anders zien dan Comitéleden? Vanuit het bestuur hebben we nadrukkelijk gezegd, tegenspraak graag! Schroom niet te zeggen ‘dat ziet u verkeerd’. Beoordelaars bekijken de aanvragen immers in veel meer detail dan bestuursleden. Dat heeft geleid tot een prettige samenwerking.”

Goed begrip wat nodig is
“Ook aanvragers hebben moeten wennen aan wat we vroegen. In het begin kregen we aanvragen waarin de onderzoeksopzet van het begintraject duidelijk werd beschreven met daarna alleen de vermelding van een voorgenomen gedragsonderzoek.
Ja, welk gedragsonderzoek? Hoeveel dieren? Met welke inschatting van ongerief?
Gaandeweg is dat verbeterd en is men in staat op lange termijn ingewikkelde trajecten goed te omschrijven. Dat type aanvragen is meer usance geworden. Zo hebben we samen met het veld een enorme ontwikkeling doorgemaakt waardoor bij de meeste aanvragers een goed begrip is van wat de CCD nodig heeft om te kunnen beoordelen over vergunbaarheid of niet.”

Wees reëel en overdrijf niet
“Goed opschrijven is belangrijk. Beginnend met een reële inschatting van verwachte opbrengsten. Overdrijf daarbij niet! Dat jouw onderzoek met dieren gegarandeerd een doorbraak zal opleveren voor een ernstige ziekte is niet geloofwaardig. Opgeblazen claims die onmogelijk waar te maken zijn met een set aan experimenten, daar ben ik zwaar allergisch voor.
Het is juist aanleiding om extra scherp te zijn op het voorgestelde onderzoek. Want als je dit durft te verwachten, deugt het gehele onderzoek waarschijnlijk niet. Wees reëel over wat het kan opleveren en laten we dat afwegen tegen wat we de dieren aandoen.”

Dier Experimenten Commissies nemen nieuwe rol
“Het is goed om te zien dat de DEC’s snel groeien naar een onafhankelijke rol ten opzichte van de onderzoekers die aanvragen indienen. Dus zoals beschreven in de herziende Wet op de dierproeven. Van hen wordt gevraagd om anders om te gaan met bestaande relaties, meer op afstand van de onderzoekers. Natuurlijk is dat een groeiproces dat tijd vraagt, maar we zijn op de juiste weg. Met goede discussies met DEC’s hoe die ketensamenwerking concreet vorm te geven. Het gezamenlijke doel is kwaliteitsverbetering.”
“Het werken aan deze ketenwerking heeft geleid tot een hoop reuring. Door al die vernieuwing is het behandeltraject langer geworden dan voor de herziening van de Wod, het vraagt ook meer tijd van aanvragers. Ik begrijp dat aanvragers dat niet fijn vinden maar bedenk dan dat we dit ook doen voor de verantwoording aan de maatschappij.”

Verantwoording zit in transparantie, dieren gedood en niet ‘uit de proef genomen
“Verantwoording aan de maatschappij is belangrijk en daar hoort transparantie bij. Onderzoeksvoorstellen moeten volkomen helder geschreven zijn, vinden wij. Ook niet specialisten, als comitéleden, moeten op basis van de tekst in het onderzoeksvoorstel kunnen begrijpen wat het plan is. Als er bijvoorbeeld wordt geschreven uit de proef genomen, zeggen wij nee, worden gedood. Daarbij, een goed beschreven onderzoeksopzet maakt ook het dierexperimentele werk beter met betere uitkomsten. En daar gaat het sowieso als eerste om natuurlijk. In mijn ogen kunnen dierexperimenten alleen worden verantwoord als de 3 V’s kloppen én de antwoorden die eruit komen relevant zijn. Anders is het niet waard om daar dieren voor op te offeren.”

Diversiteit van proefdieronderzoek groter dan ik dacht
“Het heeft me verrast wat er allemaal aan dierproeven wordt gedaan. Zelf kom ik uit het geneesmiddelenonderzoek, farmacologisch. Daar gaat het ook vaak over. Ook toxicologisch onderzoek is breed bekend. Maar deze zogenaamde veiligheidsonderzoeken vormen een veel kleiner gedeelte van alle dierproeven in Nederland dan mensen denken. Ongeveer evenveel onderzoek betreft de veehouderij, een onderwerp waar we als bestuur de RDA gevraagd hebben om advies in de ethische afweging. Onlangs hebben we hierover bruikbare adviezen mogen ontvangen van de RDA.”
“Ook vanuit de visserij en naar dieren in het wild wordt veel onderzoek gedaan. Trajecten die nieuw voor mij waren. Het dierexperimenteel werk is dus duidelijke breder dan alleen gezondheid gerelateerd. Terwijl dat wel het beeld is bij het grote publiek denk ik. Ik vond dat verrassend.”

Het ethisch spanningsveld
“De meerderheid van het biomedisch onderzoek is eigenlijk gewoon fundamenteel onderzoek, dat gaat om kennisvergaring. Een stuk is translationeel, een stukje is wettelijk verplicht. Kennis vergaren over fysiologie of pathologie van allerlei processen kan een heel relevante reden zijn om proefdieronderzoek te doen. Maar je moet de verwachte resultaten wel netjes afwegen tegen het ongerief van de proefdieren. Dan kan de afweging wel anders zijn als je verwacht er levens mee te redden, dat maakt een verschil.”
“Aan de andere kant zal je kennis moeten opbouwen om toe te kunnen passen. Bij fundamenteel onderzoek zijn de toepassingen niet te voorspellen. Het is dan cruciaal om goed te omschrijven in welke richting dat nieuwe kennis gaat opleveren. Daar zit ook de moeilijkheid voor aanvragers, zij moeten inschatten hoe groot hun bijdrage is aan kennisontwikkeling, hoe belangwekkend die is om tot een toepassing te komen. En dáár overdrijven ze soms, in mijn ogen….behoorlijk.
Daarmee wil ik niet zeggen dat bijdragen aan een bouwsteen niet nuttig is. Een bouwsteen kan daarom zeker een legitieme reden zijn om een projectvergunning te verlenen.”

Eerlijke kijk op het wetenschappelijk bedrijf
“Het gebruik van nieuwe technologieën om fundamentele vragen te beantwoorden is enorm toegenomen. Die nieuwe technologieën hebben zich verspreid over proefdieronderzoek en onderzoek zónder proefdieren. Al het in-vitro onderzoek is echter niet direct een alternatief voor dierproeven. Als onderzoeker moet je de juiste denktrant hebben: Hoe los ik een vraagstuk op? Wat geeft mij het beste antwoord? Daar draait het om. Wel of niet met een dierproef volgt daaruit. Het is een heel genuanceerd geheel. Dat is de eerlijke kijk op het wetenschappelijk bedrijf.”