Wie doet wat in Nederland?

In Nederland werken overheid, wetenschap, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties samen aan een zorgvuldig dierproevenbeleid, inclusief de mogelijkheden om dierproeven te vervangen, verminderen en verfijnen (3V’s).

De CCD is als enige bevoegd om projectvergunningen voor het uitvoeren van dierproeven te verlenen. Daarnaast zijn er nog een aantal andere organisaties betrokken bij de vergunningverlening en het adviseren over dierproeven en de mogelijkheden van 3V-methoden.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

Voor het houden, het fokken of leveren van dieren met het oog op dierproeven is niet alleen een projectvergunning nodig, maar ook een instellingsvergunning. Deze instellingsvergunningen worden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit verleend aan onder andere universiteiten, farmaceutische industrieën en medische centra. Deze organisaties moeten dan wel voldoen aan de voorwaarden die daarvoor in de herziene Wet op de dierproeven (Wod) zijn gesteld. De NVWA houdt ook toezicht of de instellingen zich houden aan de wet- en regelgeving op het gebied van dierproeven. Ook brengt de NVWA jaarlijks een overzicht uit van het aantal dierproeven dat is uitgevoerd, waarvoor en op welke dieren deze dierproeven werden verricht. Hier vindt u de Zo doende van 2015, het jaaroverzicht van de NVWA over dierproeven en proefdieren.

Lees meer over de activiteiten van de NVWA op het gebied van dierproeven op de website van de NVWA.

Nationaal Comité advies dierproevenbeleid

Het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) is ingesteld voor de bescherming van dieren die worden gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden en voor onderwijs. Het NCad heeft een brede, inhoudelijke, adviserende en organiserende functie. Het NCad adviseert de Staatssecretaris van Economische Zaken, de CCD en de Instanties voor Dierenwelzijn (IvD’s) over dierproeven en de mogelijkheden van 3V-methoden

Dierenexperimentencomissie (DEC)

Een Dierexperimentencommissie (DEC) adviseert de CCD over een aanvraag of verlenging voor een projectvergunning dierproeven. De CCD erkent DEC’s in Nederland en kan die erkenning ook weer intrekken.

Een DEC gebruikt bij haar advies aan de CCD criteria die in de wet- en regelgeving zijn vastgesteld. Op dit moment zijn er in  Nederland ongeveer 25 DEC’s. Deze zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Dierexperimentencommissies (NVDEC). Een DEC bestaat uit ten minste zeven leden met deskundigheid op het gebied van:

  • De verschillende wetenschapsdisciplines  en wetenschappelijke toepassingen waarvoor de dieren zullen worden gebruikt. Hieronder valt ook vervanging, vermindering en verfijning (de 3 V’s) op deze gebieden;
  • Ontwerp van proeven, inclusief de statistische aspecten;
  • Proefdiergeneeskundige praktijk of, waar noodzakelijk, diergeneeskundige praktijk met wilde dieren;
  • Het houden, verzorgen en behandelen van dieren van soorten die zullen worden gebruikt;
  • Ethiek;
  • Proefdieren en hun bescherming.

Tenminste twee leden zijn niet betrokken bij het verrichten van dierproeven. Ook mag naast de voorzitter tenminste de helft van de leden geen arbeidsverhouding hebben met de instellingsvergunninghouder van het project waarvoor een advies wordt uitgebracht.

Net zoals de CCD kijkt de DEC naar verschillende punten van het projectplan:

  • De deskundigheid van degene die de opzet en uitvoering van de proef bepaalt.
  • Door wie of door welke commissie de wetenschappelijke kwaliteit is beoordeeld.
  • De argumentatie waarom de vraagstelling niet met minder of anders dan met behulp van proefdieren kan worden beantwoord (3V's).
  • De motivering van de keuze van de soort en het aantal proefdieren.
  • De herkomst van de proefdieren.
  • De beoogde behandeling en verzorging (inclusief huisvesting) voor, tijdens en na de proef alsmede de deskundigheid van de hiermee belaste personen.
  • De aard, de frequentie en de duur van de ingrepen waaraan het dier wordt onderworpen.
  • De mate van ongerief dat de proefdieren (mogelijk) wordt berokkend.
  • De (eventuele) toepassing van verdoving of pijnstillende middelen en andere methoden ter vermijding van ongerief.
  • Of een dier eerder is gebruikt voor een proef.
  • Of en zo ja, op welk moment, besloten wordt over te gaan tot verantwoord doden van de betrokken proefdieren alsmede de methode die daarbij wordt toegepast.
  • De uiteindelijke bestemming van het dier na de proef.

Instanties voor Dierenwelzijn

Elke fokker, leverancier en gebruiker van proefdieren is verplicht een Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) in te stellen. De IvD adviseert het personeel van de fokker, leverancier en gebruiker en ziet toe op het welzijn van dieren, begeleidt de aanvraag tot projectvergunning en de uitvoering van het project na vergunningverlening. Bij elke organisatie die dierproeven doet zijn één of meer personen verantwoordelijk voor het welzijn en de verzorging van de dieren. Deze proefdierdeskundige is, samen met andere deskundigen, onderdeel van de IvD. Hiermee is het toezicht op het welzijn van de proefdieren geborgd omdat het niet afhankelijk is van de kennis en positie van één functionaris binnen een organisatie.

Taken van de IvD zijn:

  • Adviseren van het personeel dat met dieren omgaat over dierenwelzijn (aanschaf, huisvesting, verzorging en gebruik van dieren).
  • Adviseren van het personeel over de 3 V’s en bijbehorende technische en wetenschappelijke ontwikkelingen.
  • Zorgen voor vaststelling en toetsing van bedrijfsinterne procedures (controle, rapportage en vervolg met betrekking tot het welzijn van de gehuisveste dieren).
  • Volgen van de ontwikkeling en de resultaten van projecten (effecten op gebruikte dieren, elementen in kaart brengen die kunnen bijdragen aan de 3 V’s).
  • Adviseren over eventuele adoptieregelingen.